Ruth van Rijen interviewt aioto Ankie Suntjens • Twee opleidingen in één: arts en onderzoeker in de ouderenzorg

29-10-2025

Ankie Suntjes

‘In dit interview spreek ik met Ankie Suntjens, arts in opleiding tot specialist ouderengeneeskunde in Nijmegen en promovendus bij het Universitair Kennisnetwerk Ouderenzorg Nijmegen (UKON) in het Radboudumc. De opleiding tot specialist ouderengeneeskunde kan je combineren met een promotietraject: het aioto-traject. Gedurende zes jaar werk je afwisselend als arts in de praktijk en als onderzoeker. De duur van deze perioden verschilt per aioto-traject en is vrij in te delen, in afstemming met de opleiding en het promotieteam. Ankie vertelt ons over haar keuze voor dit traject, de voor- en nadelen en haar ervaringen tot nu toe.’

Waarom heb je voor het aioto-traject gekozen naast de opleiding tot specialist ouderengeneeskunde?
‘Mijn verhaal is een beetje bijzonder, omdat ik al eerder aan een promotietraject was begonnen voordat ik aan mijn huidige aioto-traject begon. Helaas is dat project door externe omstandigheden vroegtijdig gestopt, wat ik echt jammer vond. Omdat ik al wist dat ik in de richting van specialist ouderengeneeskunde wilde werken, schreef ik me in voor de opleiding. Echter miste ik wel het onderzoek doen. Vlak voordat ik me wilde inschrijven, kwam de vacature voor het aioto-traject voorbij, en ik dacht meteen: “Dit is het!”. Het was de perfecte combinatie en timing.’

Wat is het onderwerp van je promotietraject?
‘Mijn promotieonderzoek maakt deel uit van de MAPPING 2-studie, die voortbouwt op eerder onderzoek van Anne van der Brink (hoofd VOSON, de opleiding tot specialist ouderengeneeskunde in Nijmegen). Zij onderzocht kenmerken van bewoners van gerontopsychiatrie (GP)-afdelingen in Nederland, waaruit onder andere bleek dat persoonlijkheidsproblematiek in deze groep veel voorkomt. Mijn onderzoek richt zich specifiek op die persoonlijkheidsproblematiek binnen de GP-doelgroep. Ik werk met de dataset uit het eerdere onderzoek en combineer zowel kwantitatief als kwalitatief onderzoek. Het kwantitatieve deel onderzoekt de prevalentie van persoonlijkheidskenmerken, het perspectief van naasten versus zorgverleners, en de correlatie met neuropsychiatrische symptomen. In het kwalitatieve deel neem ik eerst interviews af bij bewoners over hun welbevinden en hun ervaringen met de zorg, naderhand volgen interviews met zorgteams en expertgroepen. Ik ben inmiddels halverwege mijn traject, met één artikel al afgerond en de analyses van de tweede studie bijna klaar. Het is een lange weg, maar ook superleuk om zo’n uitgebreid onderzoek te doen waarin je verschillende fasen en methoden combineert!’

Welke bijdrage hoop je met je promotieonderzoek te leveren aan de ouderengeneeskunde?
‘Ik hoop dat mijn onderzoek een praktische bijdrage kan leveren. Het zou geweldig zijn als we onze bevindingen, bijvoorbeeld in samenwerking met de Vereniging voor Gerontopsychiatrie, vertalen naar richtlijnen en kennis die direct van nut is voor zorgafdelingen. Zo blijft de kennis niet op de plank liggen, maar kan het echt een verschil maken in de zorg.’

“Ik ben alles vergeten! Hoe werkt die stethoscoop ook alweer?”

Hoe ervaar je de afwisseling tussen onderzoek en klinisch werk?
‘De afwisseling tussen onderzoek en de klinische praktijk is in het begin best even wennen. De eerste keer dat ik anderhalf jaar uit de praktijk was om onderzoek te doen, dacht ik toen ik weer begon: “Ik ben alles vergeten! Hoe werkt die stethoscoop ook alweer?”. Na een jaar in de praktijk begint het bij mij ook wel weer te kriebelen en wil ik weer iets met onderzoek doen. Dus voor mij is die afwisseling ideaal. Je moet jezelf gewoon de tijd geven om er weer in te komen.
Daarnaast wordt er bij de planning van je aioto-traject goed rekening gehouden met de haalbaarheid. Het is namelijk niet de bedoeling dat je onderzoek naast je werk als arts te veel druk legt. In mijn geval mocht het onderzoek zelfs helemaal stilliggen tijdens de praktijkjaren, op een indiening van een artikel na bijvoorbeeld. Dit maakt het veel makkelijker om de twee rollen te combineren.’

Hoe ziet je dagindeling als onderzoeker eruit?
‘Mijn dagen variëren sterk. Soms ben ik vooral bezig met schrijven of analyses, en op andere dagen ben ik in verpleeghuizen voor interviews of het verzamelen van gegevens. Het is een mix van computerwerk en veldwerk. Als onderzoeker kun je ook thuis werken, maar ik werk het liefst op kantoor, waar ik me beter kan concentreren en ook kan sparren of bijkletsen met collega’s. Daarnaast volg ik cursussen, zoals academisch schrijven en kwalitatief interviewen, die bijdragen aan mijn ontwikkeling als onderzoeker.’

Werk je als onderzoeker veel alleen of ook in een team?
‘Ik werk binnen een multidisciplinair onderzoeksteam met verschillende achtergronden, in de psychologie, ouderengeneeskunde en ouderenpsychiatrie, en ervaring met verschillende onderzoeksmethoden. De feedback die ik krijg is hierdoor vaak heel divers en daardoor heel waardevol. Soms is het een uitdaging qua agenda’s, maar we overleggen vaak online. Een van mijn promotoren zit in Groningen, en ik heb hem pas voor het eerst fysiek ontmoet toen ik in Japan was voor een congres. Dat was wel grappig! Congressen zijn trouwens ook een hele leuke manier om feedback te krijgen op je eigen onderzoek en van collega’s te leren.’

Welke voor- of nadelen zie je in de combinatie van praktijkervaring en wetenschappelijk onderzoek?
‘Het onderzoek geeft me als arts een ander perspectief. Ik leer kritischer na te denken over de zorg die we in de praktijk bieden. Ik denk vaker na over de waarom-vraag en zoek naar het bewijs achter richtlijnen. Daarnaast heb je als arts bepaalde ervaringen en kennis, waardoor je snel door je “doktersbril” naar dingen kijkt. Het is leerzaam om met mensen uit andere disciplines te werken binnen mijn onderzoek. Dit helpt me om mijn blik te verbreden. Daarnaast merkte ik bijvoorbeeld dat gesprekken met bewoners anders verlopen in mijn rol als interviewer (onderzoeker), dan in mijn rol als dokter. Als onderzoeker ben ik meer neutraal, omdat ik geen onderdeel ben van hun dagelijkse zorg. Dit maakte dat mensen nog veel opener leken te zijn, en ik zelf nog nieuwsgieriger doorvroeg. Dit heeft me ook aan het denken gezet over mijn eigen houding als arts.’

Denk je dat je later onderzoek en klinisch werk wilt blijven combineren?
‘Ja, ik wil onderzoek zeker blijven combineren met mijn werk als specialist ouderengeneeskunde. Ik heb het loslaten van onderzoek al eens geprobeerd, om me volledig op de praktijk te richten, maar toen ging ik het missen. Hoe dat er precies uit moet gaan zien, weet ik nog niet. Het combineren van klinisch werk en onderzoek kan uitdagend zijn, maar er zijn steeds meer initiatieven om deze combinatie juist te stimuleren.’

Wat zou je mensen die twijfelen over het aioto traject willen meegeven?
‘Mijn advies is dat je echt niet al onderzoekservaring hoeft te hebben om te starten. Je wordt opgeleid tot onderzoeker, dus als je het interessant vindt, komt de rest vanzelf. In het begin dacht ik ook: “Dit is veel te ingewikkeld, en ik heb geen idee waar ik moet beginnen.” Maar als je het leuk vindt, leer je het gaandeweg. Onderzoek doe je niet alleen en je wordt goed begeleid. Het is minder eenzaam dan het lijkt, op een gezellig kantoor met allerlei verschillende collega’s. Dat multidisciplinaire aspect en samenwerken is iets wat ik ook erg waardeer in het werk van specialist ouderengeneeskunde.’

Dit interview is geschreven door Ruth van Rijen.
Ze is aios ouderengeneeskunde bij opleidingsinstituut VOSON in Nijmegen en volgt een academic traineeship.
Lees hier meer blogs van Ruth